De visualisering van twee ideen, tegenstelling en Tijd, dynamiseert het schilderij De strijd tussen Carnaval en de Vasten. Verschillende personages waaronder traditionele carnavaleske figuren vormen de acteurs in het schouwspel.

  • De Tegenstelling

  • De Tijd

  • Enkele Carnavaleske figuren

1 De tegenstelling

Bruegel schildert ons de tegenstellingen die zeker in zijn tijd de periode van drie tot vier maanden tussen Kerstmis en Pasen kenmerken. Langs de ene kant een aantal folkloristische manifestaties die samenhangen met het middeleeuwse Carnaval. Aan de rechterkant van het werk staat de somberheid van de Vasten centraal. Deze tegenstelling wordt in het werk in vlakken en structuren vertaald links en rechts van de middellijn. De tegenstelling bepaalt de vormelijke maar ook het inhoudelijke van het werk. Links de kroeg

Links de kroeg

Kroeg en Kerk

Meest opvallende ruimtelijke tegenstelling  is links de kroeg met de Blauwe Schuit op het uithangbord tegenover rechts de kerk. Beiden liggen langs weerskanten van het grote Marktplein en domineren het gewoel dat zich daar afspeelt.. Ze symboliseren als het ware de gespletenheid van de volkscultuur in die periode. Langs de enen kant de drink en feestcultuur met zijn exuberantie  en langs de andere kant de religieuze volkscultuur met zijn religieuze fantasmen.  Dit is misschien de meest frappante maar toch slechts n van  de tegenstellingen in de ruimte en inhoudelijk.

Spelersgeluk en armoede en dood

Weggeborgen in de benedenhoeken hoeken van het werk schildert Bruegel een ander discussiepunt uit de Middeleeuwse religiositeit.

In de linkerbenedenhoek spelen er twee mannen met dobbelstenen. Het zijn de Mommekanser en de Koekkramer. Beiden dobbelen om de gunst van Vrouwe Fortuna die de Mommekanser lijkt te winnen. Maar feitelijk is het geen echt kansspel dat zich hier voordoet. Beide spelers zijn bedriegers (lees onze bespreking). De meest gehaaide zal het spel winnen. In een wereld waar alles door god geregeld wordt, is er geen ruimte voor kansspelen van Vrouwe Fortuna.

Aan de andere zijde zien we hoe het noodlot de mensen in armoede en miserie dompelt. Onder een lijkwade ligt vermoedelijk een dode. Een ziek kind ligt in een draagbaar. Een oude vrouw bedelt. Maar ook hier is geen sprake van het noodlot. Het lijden van de paupers is nodig opdat de rijke een aalmoes zou kunnen geven. Ook hij moet zijn hemel verdienen. Met het droevige lot van de arme en de zieke koopt de rijke de kans op zaligheid.

De Middeleeuwse scholastiek is hier met enkele penseelstreken neergezet.

Duel tussen de Vette en de Vasten

De gulle, rondborstige (vooral rondbuikige) Carnaval is in gevecht met de Vasten, een oud en mager scharminkel. Carnaval is gezeten op een groot vat en zit er bij als onze Vaantjesboer. Hij wordt voortgeduwd in een kleurrijke optocht waarin ketelmuziek weerklinkt en diverse vermomden allerlei carnavalattributen meedragen.

De magere Vasten wordt afgebeeld als een chagrijnig wijf, meegetrokken door enkele geestelijken en omgeven door ratelende kinderen die er nog in geloven. Van op haar troon gaat ze Carnaval te lijf met een bakkersschoffel waarop twee karige haringen liggen.

Maar haar gemoraliseer is schijnheilig. Daarop wijzen de mosselschelpen die naast de vastenwagen liggen. Een lege mosselschelp symboliseert bij schilders in die tijd altijd verborgen seksualiteit. Bruegel tekent ook de bedrieglijkheid van het personage. Achter de ratelende kinderen ligt een kreupele te bedelen. In de rugzak van de begeleidende vrouw zit nauwelijks zichtbaar een aapje wat wijst op bedrog.

Het lugubere van het vastenpersonage wordt nog eens onderstreept door het witte laken in de rechter benedenhoek dat een dode bedekt. Bruegel valt hier niet de religie aan. Maar iedereen lijkt het eens te zijn dat hij hier op zijn eigen onovertroffen wijze afstand neemt van de onderdrukking van de levenslust door de kwezelarij vermomd als godsdienstigheid of moraal.

2 De tijd

Bruegel geeft ons enkele aanwijzingen hoe zijn schilderij moet gelezen worden. Boven de huizen die achteraan het marktplein afsluiten zien we een stukje van de hemel. Deze afbeelding geeft niet enkel het perspectief aan het werk maar ook noodzakelijke informatie. In de grauwe lucht staan bomen geschilderd. Links boven de huizen een kale boom. Rechts op zij van de kerk een bomen met bladeren.

Bij uitvergroten merken we dat de linkse boom de Winter voorstelt en de rechter de prille blaadjes van de Lente.

Bijkomende informatie levert de wijnrank die tegen de gevel hangt. Verwijst dit naar Sint-Vincent? Deze is de patroon der wijnbouwers en wordt gevierd op 22 januari. Winter dus!

Met wat op het eerste zicht een aantal realistische figuren lijkt, heeft Bruegel ons een afbeelding gegeven van het niet visualiseerbare: namelijk de tijd. Bruegel vertelt ons het verhaal van de het Middeleeuwse carnaval dat start na Nieuwjaar / Driekoningen in de linkerbovenhoek en eindigt met Pasen in de rechterbovenhoek van zijn schilderij. Daartussen liggen een aantal kalenderfeesten opgesomd die een in een ruime cirkelbeweging door het schilderij bewegen.

3 Carnavaleske figuren

Door het schilderij loopt een optocht van carnavaleske figuren zoals we die ook in andere plastische of literaire werken  uit die periode kennen. Sommige lopen nog altijd rond in de Europese carnavals.

Zie startpagina Bruegel

Terug naar startpagina Dossiers